Diensten
Voor onze klanten doen we onderzoek naar machtsstructuren, belangenbehartiging en beinvloedingsprocessen. We adviseren over aanpak van conflicten en verbeteren van samenwerking. In onze trainingen leren we deelnemers machtsverhoudingen analyseren, stakeholdersanalyses maken en samenwerkingsnetwerken opzetten. We trainen ook communicatieve vaardigheden die nodig zijn om in een politiek-bestuurlijke omgeving resultaatgericht te werken.
Visie
Efficient het publieke belang dienen is lastiger geworden voor overheidsorganisaties nu minder vertrouwd kan worden op een hiërarchische en planmatige wijze van werken. De praktijk van de macht in en rond publieke organisaties verandert. Zo staan verticale sturing en horizontale afstemming vaker op gespannen voet bij het bepalen van publieke doelen en kunnen overheidsmanagers minder vanuit hun positiemacht productieve organisatieactiviteiten bevorderen.
Research
De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) moet zich voor de rechter verantwoorden voor hun onderzoek naar de roofhandel van Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in de gemeente Groningen. Hubert van Blankenstein, een van de nabestaanden van het Joodse echtpaar Serphos-Menko, vindt dat de universiteit feitelijk onjuiste informatie heeft gepubliceerd over de woning van zijn grootouders en eist een rectificatie.
Lege plekken
In 2022 publiceert de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) het rapport Lege plekken – Ontvreemding van Joods vastgoed en rechtsherstel in de gemeente Groningen (1940-1955). Auteurs zijn emeritus hoogleraar Maarten Duijvendak en universitair docent Stefan van der Poel. Groningen is een van de 218 gemeenten waar tijdens de Tweede Wereldoorlog Joods vastgoed is geroofd. De gemeente komt voor in het zogeheten Verkaufsbücher: een bestand met meer dan 7.000 registraties van onteigeningen en doorverkoop. Sinds 2020 onderzoekt het tv-programma Pointer de verhalen achter deze roofhandel en spoort betrokken gemeenten aan onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar hun eigen rol daarin. Bij de presentatie van het boek Lege Plekken – Groningen en zijn Joodse stadjers in en na de oorlog in april 2022 prijst burgemeester Koen Schuiling de onderzoekers van de RUG voor hun grondig en gedegen werk. Hij is opgelucht dat zij hebben vastgesteld dat de gemeente Groningen niet op grote schaal geprofiteerd heeft van de oorlogsomstandigheden en de rol van de gemeente tijdens de bezetting typeren als ‘bovenal formalistisch, faciliterend en uitvoerend…’.
Kritiek
Onvermeld laat Schuiling de kritiek van Hubert van Blankenstein op het onderzoek naar de vordering en onteigening van het huis van zijn ouders aan de Kamplaan 8. In december 2021 schrijft Van Blankenstein aan de gemeente, dat het RUG-onderzoeksteam verkeerde conclusies had getrokken uit de beschikbare historische bronnen. Uit die bronnen zou volgens hem blijken dat de gemeente zijn ouders na de oorlog willens en wetens heeft tegengewerkt. Zo kregen ze geen toestemming om hun eigen woning te betrekken. Die toestemming kreeg Jan Tuin wel, de nieuwe burgemeester van Groningen. In 1952 was de situatie zo uitzichtloos dat de familie Van Blankenstein hun woning in bewoonde staat verkocht aan de gemeente voor een derde minder dan de woning onverhuurd zou hebben opgebracht.
Kamplaan
De complexe geschiedenis van de Kamplaan is in Lege plekken samengevat in vier regels. Kamplaan wordt opgevoerd als illustratie dat de herstelde eigenaar soms niet direct over zijn pand kon beschikken, omdat er beperkingen golden als gevolg van een lopende huurovereenkomst of regels van woningtoewijzing. ‘Dit ervoeren de nabestaanden van de familieSerphos-Menko met het huis aan de Kamplaan 8. Vertegenwoordigers van hen en de oorlogskoper troffen in 1949 een minnelijke regeling, maar het pand bleef tot zomer 1951 verhuurd door het Nederlands Beheer Instituut (NBI), die in juni van dat jaar het beheer beëindigde. Een jaar later werd het huis verhuurd aan Jan Tuin, de net benoemde burgemeester van de stad. Vervolgens kocht de gemeente het pand om te gebruiken als nieuwe ambtswoning. In de voetnoot bij deze passage staat één bron vermeld. Sinds de presentatie van het rapport in april 2022 betoogt Van Blankenstein dat er geen sprake was van verhuur en dat zijn vader onder druk instemde met verkoop.
Schadeclaim
Als burgemeester Schuiling in april 2022 zijn toespraak houdt, ligt er op zijn bureau al een schadeclaim van €328.000 van de familie Van Blankenstein, die wordt ondersteund door het Centraal Joods Overleg. Een aanvullend onderzoek van Duijvendak naar Kamplaan 8 is volgens het Centraal Joods Overleg historisch interessant, maar verandert niets aan de constatering dat de gemeente Groningen de familie Van Blankenstein onrecht heeft aangedaan. Een externe commissie van wijzen adviseert het college van B&w de familie Van Blankenstein excuses aan te bieden en de claim te honoreren. Ze adviseert ook de geschiedschrijving in Lege plekken ‘niet te bevragen’, maar wel respect te tonen voor het eigen verhaal van de familie. Schuiling toont dat respect met een voorwoord in het boek In Groningen stond ons huis – Roof, onrecht en restitutie, de vrucht van twee jaar noeste onderzoeksarbeid van Van Blankenstein. Een boek dat hij wel moest schrijven, omdat in Lege plekken volgens hem de suggestie wordt gewekt dat zijn vader zelf het enorme financiële verlies van de familie heeft veroorzaakt. Een gevoelig punt: de Jood krijgt de schuld van het onrecht dat hem is aangedaan.
Conflict
Een exacte reconstructie van de geschiedenis van Kamplaan 8 is lastig, omdat cruciale bronnen niet meer beschikbaar zijn. Toch concludeert Duijvendak in zijn aanvullende onderzoek, dat de gemeente zowel juridisch als moreel juist heeft gehandeld jegens de familie Van Blankenstein. Sinds de publicatie van zijn Lege plekken-onderzoek – dat Groningen €260.000 heeft gekost – draagt hij, waar hij maar kan, uit dat hij tot zijn conclusies is gekomen door onderscheid te maken tussen harde en zachte bronnen. Hard zijn besluiten van de gemeenteraad of aktes van de burgerlijke stand. Zacht zijn brieven of egodocumenten, zoals dagboeken omdat die vaak gekleurd zijn. Van Blankenstein noemt hij een emotionele amateur en zichzelf een zakelijke vakhistoricus. 'Tenzij hij met feiten komt, kan ik mijn conclusies niet veranderen’, aldus Duijvendak in de Universiteitskrant Groningen. Hiermee gooit hij olie op het vuur van een conflict waarin harde beschuldigingen over en weer gaan. Van Blankenstein beticht Duijvendak van geschiedvervalsing en willful ignorance. Op zijn beurt noemt de professor Van Blankenstein een complotdenker. Het is een prestigestrijd geworden waarin voor Van Blankenstein de reputatie van zijn vader en familie op het spel staat en voor Duijvendak zijn reputatie als wetenschappelijk onderzoeker.
Herinneringen
Van Blankenstein noemt als één van de bronnen voor zijn boek de persoonlijke getuigenis van zijn vader die hij in de jaren '80 van de vorige eeuw schreef op verzoek van de toenmalige Rijksarchivaris. Deze Herinneringen zijn opgenomen in de Groninger Archieven. Van Blankenstein schrijft met liefde en respect over zijn vader Tobias, die ondernemer was, een bekende en invloedrijke figuur in de naoorlogse Joodse gemeenschap en een toegewijd geschiedschrijver van het Groningse leven. Kortom, een persoon die serieus te nemen is. In zijn Herinneringen schrijft Tobias van Blankenstein over de Kamplaan. ‘Dit huis was onze eigen, geërfde woning. Wij hadden ondertussen een vrij groot gezin, kinderen geboren in 1945, 1947 en 1948 en uit het weeshuis ‘de Drie Prinsesjes’ te Amsterdam hadden we in 1948 een ouderloos Joods meisje aangenomen, Klaartje S., die al gauw in ons gezin ingegroeid was. Van het Groningse huisvestingsbureau hebben we echter nooit toestemming gekregen deze mooie, geschikte villa, te betrekken. Een bepaalde motivering ervoor gaf men niet.’ Is het aannemelijk dat het hoofd van een gezin met een commercieel instinct in een periode van ernstig woningtekort een mooie woning opgeeft, gaat verhuren en kort daarna verkoopt? Het gezonde verstand zegt: ‘nee dat ligt niet voor de hand.' Zowel in Lege plekken als in het aanvullende onderzoek van Duijvendak is de conclusie dat het toch zo gegaan is.
Bewijzen
Over veel gebeurtenissen in de geschiedenis van de Kamplaan 8 zijn Duijvendak en Van Blankenstein het eens. Uit primaire bronnen is af te leiden dat de Wehrmacht de woning op 7 mei 1941 vordert voor militair gebruik. De gebruiksvergoeding wordt op basis van de huurwaarde vastgesteld op NLG 1.100 per jaar. Deze wordt tot december 1942 uitbetaald aan de Joodse eigenaresse, de weduwe Serphos-Menko, daarna aan het anti-Joods beheer van de NGV/ANBO en vanaf februari 1944 aan de nieuwe eigenaar van het pand, de NSB'er Fokko Beenker. Na het vertrek van de Duitsers in april 1945 gebruiken de Canadese bevrijders het huis tot vermoedelijk oktober 1945. Daarna is er in de chronologie een gat tot 6 maart 1946, als rijksambtenaar G.J. Comello als nieuwe bewoner wordt ingeschreven. In het NBI-beheersdossier is terug te vinden dat de huur per 1 maart ingaat, ƒ 1.200 per jaar bedraagt en halfjaarlijks wordt betaald. Comello blijft, volgens de gemeentelijke woningkaart, op de Kamplaan 8 wonen tot 23 juni 1952. Op 30 april 1952 staat in de krant dat de nieuwe burgemeester van Groningen, Jan Tuin, in de Groningse wijk Helpman gaat wonen. De krant schrijft dat hij op 1 juni het adres Kamplaan 8 betrekt. De formele inschrijving op de gemeentelijke woonkaart is 4 juni. Het huis is dan al een jaar het eigendom van Tobias en Nettie Van Blankenstein, die er zelf met hun kinderen willen gaan wonen. Van het Groningse Huisvestingsbureau krijgen zij evenwel geen woonvergunning. Een motivering voor deze weigering en waarom Jan Tuin er wel mocht wonen, is niet meer te achterhalen, omdat de uitvoeringsadministratie van het Huisvestingsbureau is vernietigd. In november 1952 koopt de gemeente de woning in bewoonde staat van Van Blankenstein voor ƒ 30.000. De overdracht van de nieuwe Groningse burgemeesterswoning is op 1 februari 1953. De beschikbare stukken wijzen erop dat Kamplaan 8 niet via een openbare verkoopprocedure is aangeboden, maar dat de makelaar zich na de verkoopopdracht rechtstreeks tot de gemeente Groningen wendde met een concreet bod van ƒ 30.000. Uit de financiële administratie van Van Blankenstein blijkt niet dat geldnood de reden was voor verkoop.
Loopgravenoorlog
Sinds de verschijning van het Lege Plekken-rapport, bestrijdt de zoon van Tobias en Nettie van Blankenstein te vuur en te zwaard de conclusie van het rapport dat zijn ouders vrijwillig hebben meegewerkt aan de verhuur en vervolgens verkoop van hun huis Kamplaan 8. Hij is met onderzoeker Duijvendak al enige jaren in een loopgravenoorlog verwikkeld over de vraag of de woning wel of niet was gevorderd door de Staat toen Comello en later Tuin er ging wonen en toen de woning door zijn ouders aan de gemeente Groningen werd verkocht. De tragiek van deze oorlog is dat beide partijen met verve een reconstructie van de gebeurtenissen verdedigen, die rust op veronderstellingen en niet op bewijsstukken. Duijvendak vecht voor een huurscenario en Van Blankenstein voor een vorderingsscenario.
In het huurscenario wijst het Groningse Huisvestingsbureau met de instemming van het NBI/de eigenaar een niet-gevorderde Kamplaan toe aan Comello en later aan Tuin. Zij worden huurders, die huur gaan betalen. In dit scenario is de verkoop van de woning een vrijwillige transactie.
In het vorderingsscenario krijgen Comello en Tuin een door de Staat gevorderde woning aangeboden, waarvoor zij een gebruiksvergoeding gaan betalen. De woning wordt verkocht vanuit een door de overheid gecreëerde dwangpositie.
Huurscenario
In Duijvendaks reconstructie van de gebeurtenissen rust er na 4 maart 1946 geen vordering meer op de Kamplaan. In zijn Lege Plekken-rapporten is te lezen dat de grondslag voor de Wehrmachtsvordering (VO 144/1940) in september 1944 (Besluit Bezettingsmaatregel, E 93) is komen te vervallen en de militaire vordering voor de Canadezen is beëindigd met de opheffing van de Bijzondere Staat van Beleg (Besluit van 8 september 1945, Stbl F 168). Over een vordering van de woning door het Militair Gezag voor Comello schrijft hij dat hij hiervoor geen bewijs heeft gevonden in de archieven van de gemeente Groningen en het Militair Gezag.
Duivendak gaat ervan uit dat in maart 1946 het huis door de gemeente Groningen, met instemming van Fokko Beenker's NBI-beheerder, is toegewezen aan G.J. Comello, die per 1 juni 1945 door de Chef van den Staf Militair Gezag was benoemd in de functie van Districtsinspecteur voor de Luchtbescherming en het Brandweerwezen in District V. Duijvendak vindt het aannemelijk, zoals hij schrijft in Stad en Lande, dat Kamplaan als vrijkomende woning conform de woonruimteverordening werd aangemeld bij de gemeente en dat Comello als rijksambtenaar voorrang kreeg bij toewijzing en daarom ook huurbescherming genoot. Hij gaat er ook van uit dat Comello in 1952 netjes de huur heeft opgezegd en dat Van Blankenstein, conform de woonruimteverordening, de woning toen aanmeldde bij de gemeente. Daar kreeg hij uitgelegd dat hij niet zelf in de woning mocht gaan wonen, waarna Van Blankenstein instemde met verhuur aan burgemeester Tuin, om vervolgens op eigen initiatief de verhuurde woning in de verkoop te zetten.
In een reactie bevestigt Duijvendak dat er geen hard bewijs is voor een formele beëindiging van de vordering, voor toewijzing van de woning en voor instemming van Van Blankenstein met verhuur aan Jan Tuin.
Op de vraag waarom Jan Tuin de woning kreeg en niet de eigenaar met zijn vrouw en vier kinderen, die bovendien een lokale ondernemer was, antwoordt Duijvendak in een mailwisseling dat er – wegens gebrek aan bronnen – geen sluitend bewijs is dat de gemeente de procedures netjes heeft gevolgd. Hij acht het daarom denkbaar dat Van Blankenstein zich overruled heeft gevoeld en tegen zijn zin akkoord is gegaan met de verhuur van zijn huis aan de nieuwe burgemeester. Echter, waarschijnlijker vindt hij – zoals het ook in het aanvullend onderzoek van 6 april 2022 staat – dat Tuin met instemming van de eigenaren, Kamplaan 8 is gaan bewonen en de woning huurde als privépersoon. Hij heeft drie argumenten voor dit scenario.
1. Er zijn geen documenten gevonden waaruit blijkt dat er bezwaar is gemaakt tegen toewijzing van de woning aan de burgemeester.
2. Uit de Herinneringen van Tobias van Blankenstein kan worden afgeleid dat hij overleg heeft gehad met het Huisvestingsbureau van de gemeente Groningen. Of de gemeente hem heeft geïnformeerd over toewijzing van de woning aan Jan Tuin, is onduidelijk. Als dat niet is gebeurd, heeft de gemeente, volgens Duijvendak, de regels overtreden, want de Woonruimtewet 1947 geeft een eigenaar het recht om bezwaar aan te tekenen tegen een voorgestelde huurder.
3. Tuins handelingen als eerste PvdA-burgemeester van Groningen lagen onder een vergrootglas. Hij kon zich dus geen misstap veroorloven.
In Duijvendaks reconstructie wemelt het van de aannames. De gemeente handelde volgens het boekje, de burgemeester was een nette vent dus die zal zich aan de regels hebben gehouden, als er geen vorderingsdossier is, zal er ook niet gevorderd zijn. Als er sprake is van feitelijke bewoning, zal zowel gemeente als eigenaar daarmee hebben ingestemd. En zo zijn er nog meer aannames uit het rapport te halen. Het is opmerkelijk dat een wetenschapper met de opdracht zorgvuldig onderzoek te doen naar een zeer pijnlijke periode uit de Groningse geschiedenis, zo slordig te werk is gegaan.
De bewijsstukken voor een privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen Comello en Tuin enerzijds en de eigenaar van Kamplaan 8 anderzijds ontbreken. "Zeer waarschijnlijk” is verdedigbaar als scenario, maar “ het pand werd verhuurd ” gaat zonder nadere kwalificatie verder dan de bronnen toelaten. Want daarin ontbreekt elk spoor van:
- een opheffingsbesluit van de militaire vordering;
- een huurcontract met Comello;
- een huurcontract met Tuin;
- een verklaring van instemming van de eigenaren;
- de woonvergunning of toewijzingsbeschikking voor Tuin;
- correspondentie waaruit onderhandelingen over huur en huurprijs blijken.
Duijvendak leest in de memoires van Van Blankenstein een “bepaalde moedeloosheid als overweging om het pand te verkopen.” Als hij aan deze ‘zachte’ bron in het Lege Plekken-rapport meer gewicht had toegekend, had hij zijn conclusie minder stellig gepresenteerd.
Vorderingsscenario
In zijn Herinneringen schrijft Tobias van Blankenstein: ‘De Gemeente had beslag gelegd op deze villa en ik heb altijd een sterk vermoeden gehad dat men ons gezin niet passend vond daar.’ Dit is de sleutelzin in het narratief van Van Blankenstein jr. over de Kamplaan. Omdat het huis gevorderd was, had zijn vader volgens hem geen poot om op te staan.
Van Blankenstein gaat ervan uit dat op Kamplaan 8 tussen 7 mei 1941 en 15 februari 1953 continue een vorderingsregime van toepassing is geweest, gebaseerd op achtereenvolgens het Algemeen Vorderingsbesluit 1940 (110/1940) en de Algemene Vorderingsregeling 1944 (E140). Hij stelt dat in 1941 de gemeente Groningen voor de Wehrmacht het huis vorderde op grond van VO 110/1940 en dat na het vertrek van de Duitsers het Militaire Gezag voor Comello het huis vorderde op grond van E 140.
Het enige Kamplaan-specifieke vorderingsbewijs dat beschikbaar is, verwijst naar VO 144/1940 als grondslag voor de ingebruikneming van het huis door de Wehrmacht. De rechtsgeldigheid van deze VO kwam in 1944 te vervallen. Volgens Van Blankenstein betekent dit niet dat daarmee ook de vordering op de Kamplaan was komen te vervallen, want VO 144/1940 was slechts een bijzondere uitvoeringsregeling binnen het algemene vorderingsregime van VO 110/1940. Dat is een uitleg die vraagt om toetsing door een staatsrechtgeleerde, want op het eerste gezicht is er geen logica in te ontwaren
In het door Van Blankenstein bedachte vorderingsregime blijft de vordering op de Kamplaan gehandhaafd onder het Militair Gezag. Van Blankenstein beroept zich onder meer op:
- de publieke functie van Comello en diens verplichte overplaatsing naar Groningen;
- een verzoek van het Militair Gezag aan het Prijzenbureau voor Onroerende Zaken om de gebruikswaarde van het pand vast te stellen;
- het besluit van 4 januari 1946, waarbij ƒ1.200 per jaar werd vastgesteld. Dit bedrag is nooit gewijzigd, zelfs niet toen in januari 1951 een wettelijke huurverhoging van 15% werd doorgevoerd, omdat dat deze verhoging niet van toepassing was op gevorderde woningen;
- het ontbreken van een huurcontract met Comello of Tuin. Tuin kon in het najaar van 1952 geen kopie van het huurcontract aan de Belastingdienst overleggen;
- regelingen, volgens welke vorderingen van het Militair Gezag ten behoeve van derden niet automatisch op 4 maart 1946 vervielen.
Het regime dat Van Blankenstein heeft uitgewerkt, is een juridisch construct waarvoor geen bewijzen op tafel liggen. Als het is gegaan zoals hij beweert, zouden er voor de Kamplaan de volgende stukken terug te vinden moeten zijn:
- een ministeriële of algemene machtiging aan de betrokken MG-functionaris (E 140 gaf niet iedere MG-functionaris automatisch een algemene bevoegdheid om willekeurig woningen te vorderen. De bevoegdheid lag bij de betrokken minister en kon door een algemene of bijzondere schriftelijke machtiging worden uitgeoefend.);
- een specifiek vorderingsbewijs of besluit waar uit zou blijken dat Kamplaan 8 aan Comello werd toegewezen;
- de administratie van de schadeloosstelling of gebruiksvergoeding;
- een specifiek document waaruit blijkt dat die concrete vordering na 4 maart 1946 bleef voortbestaan;
- een besluit of administratieve handeling, waarbij Tuin binnen die vordering in de plaats van Comello werd gesteld;
- een bewijs dat deze concrete vordering pas op 15 februari 1953 eindigde.
Rechter
Van Blankenstein hoeft voor in zijn dagvaarding van de RUG niet noodzakelijk te bewijzen, dat zijn eigen vorderingscenario volledig juist is. Het geschil gaat niet over de vraag welk scenario uiteindelijk waar is, maar over de vraag of een universiteit slechts één reconstructie van historische gebeurtenissen als uitkomst van onderzoek mag presenteren, terwijl een andere reconstructie door de beschikbare primaire bronnen niet kan worden uitgesloten. Van een universiteit die in opdracht onafhankelijk onderzoek doet, mag verwacht worden dat een zo volledig mogelijk beeld wordt gegeven van wat er in de onderzochte periode is gebeurd. Een deugdelijke en controleerbare onderbouwing van de bevindingen is een vereiste. Helder moet zijn wat is ontleend aan primaire bronnen en wat het resultaat is van veronderstellingen. De RUG heeft in het Lege-Plekkenrapport te stellig een betwist scenario gepresenteerd als “heel waarschijnlijk” en verzuimd het alternatieve scenario van Van Blankenstein serieus aandacht te geven. Er zijn vele momenten geweest waarop de RUG het onderzoeksrapport had kunnen nuanceren. Het is - ongeacht de uitspraak - een blamage voor de universiteit, dat nu een rechter zich hierover gaat buigen.
Workshop
Voor je het weet ben je als project een speelbal in een ogenschijnlijk onvoorspelbare politieke arena. Wat te doen? Stil zitten, adem inhouden en wachten tot de storm is overgewaaid? Of positie kiezen en het spel meespelen? Honderd managers onderzoeken een dag lang het spel van de macht tijdens het jaarlijkse Teamevent van Neerlandsdiep. Lukas Meursing is een van hen. Wij volgden hem tijdens dit event. Ook vroegen we Patrick Buck, directeur ProRail Projecten, naar macht en politieke spelletjes.
https://neerlandsdiep.nl/magazine/macht-machiavelli-en-de-media/
Blog
Mondialisering en digitalisering jagen sociale en technologisch innovatie aan. Er ontwikkelt zich een ‘vloeibare’ samenleving - begrip geïntroduceerd door de pools-amerikaanse filosoof Zygmunt Bauman- waarin de onderlinge relaties onoverzichtelijk zijn. In de ‘vloeibare’ samenleving gaan de maatschappelijke ontwikkelingen snel, ze zijn lastig te duiden en nog moeilijker te voorspellen. In deze omgeving kunnen overheidsorganisaties minder dan voorheen vertrouwen op hun hiërarchische en planmatig wijze van werken.
Publieke waardecreatie in de 'vloeibare' samenleving
Omdat meer partijen nodig zijn om tot een oplossing te komen, worden publieke diensten gedwongen vaker over de grenzen van hun eigen organisatie heen te kijken. De nieuwe realiteit is ook dat publieke projecten frequenter voor meerdere opdrachtgevers moeten worden uitgevoerd. Wat betekent deze toenemende complexiteit voor de aansturing van de publieke uitvoeringstaken? De gangbare management-reactie op deze ontwikkeling, één die diep is geworteld in de organisatieprincipes van de vorige eeuw, is die van projectmanagement met behoud van een heldere scope, planning en budget maar met het besef dat andere partijen nodig zijn om tot resultaten te komen. Een modernere management-reactie - een die verwant is met kennis-, proces- en omgevingsmanagement en nog volop in ontwikkeling- is die van programmamanagement. Een derde sturingsprincipe waarvoor de aandacht groeit, is opgavegericht werken. In 2016 schreef bestuurskundige Paul ‘t Hart dat opgavegericht werken en public value management een breuk impliceren met meer dan 100 jaar theorie en praktijk in openbaar bestuur. De 21e eeuwse ‘VUCAwereld’ dwingt tot het inslaan van nieuwe wegen “weg van ‘regels zijn regels’; weg van ‘je gaat erover of je gaat er niet over’; weg van de ambtelijke kokers; weg van de overheid als sturingscentrum”.
De bedoeling
Het klassieke sturingsmodel (government) waarin verticaal top-down wordt gestuurd kraakt in zijn voegen, maar domineert nog altijd het handelen in het overheidsapparaat. De noodzaak van horizontale sturing (governance) wordt meer en meer gevoeld en ook toegepast, maar in de praktijk bestaat een spanningsveld tussen beide sturingsprincipes waarmee uitvoerende managers moeten dealen. De overheid handelt nog vaak leidend, maar positioneert zich tegelijkertijd als één van de actoren in de bestuursprocessen. In dit spanningsveld staat de overheidsmanager voor de uitdaging om bij te dragen aan het vertalen van een ‘vraagstuk’ naar een opgave met o.a oog voor publieke waardecreatie. Dit betekent dat hij met externe (opdrachtgevende) partijen een abstracte opgave heeft te concretiseren in een ‘bedoeling’ (doelen gericht op waardecreatie) die leidend wordt in de realisatie en een passend, effectief sturingsprincipe moet uitwerken.
Dynamische organiseren
De opbouw van een tijdelijke organisatie die nodig is om een complexe opgave tot een goed einde te brengen, is een structurerende activiteit die - zo lijkt het - onvermijdelijk improviserend start en gaandeweg procesmatiger kan worden aangepakt. Het is de fase waarin gezocht wordt naar een werkbare positie in de relatie met de opdrachtgever(s), de beheerorganisaties(s) en in relevante netwerken, ketens of allianties. Het is de fase waarin de overheidsmanager legitimatie wil verkrijgen voor zijn (organisatorische) aanpak en commitment zoekt bij bij lijn-organisatie / regie-organisatie waarmee samengewerkt moet worden. Het is ook de fase waarin de juiste skills aangetrokken worden, taken verdeeld worden en coördinatiemechanisme worden gemobiliseerd. Hoe kan veilig gesteld worden dat er een organisatie wordt opgetuigd die wendbaar is en kan meebewegen met ontwikkelingen in de samenleving? Een organisatie die kan handelen vanuit de ‘bedoeling’
De praktijk van de macht
Handelen vanuit de bedoeling eindigt idealiter op enig moment in een gewenste ‘outcome’ die maatschappelijke meerwaarde heeft. De praktijk van de macht is de onvermijdelijke strijd tussen deelbelangen en het publieke belang; tussen individuele doelen en organisatiedoelen. Er zijn in dit verband drie fundamentele vragen te adresseren. 1. Hoe gaat de organisatie/het management om met meerdere (conflicterende) doelen? 2. Van wie zijn die doelen? 3. Hoe vertaalt het management de persoonlijke doelen, waarden, intenties, behoeftes en verwachtingen van individuele share- en stakeholder in productieve organisatieactiviteiten? Anders gezegd hoe wordt integratie tot stand gebracht. Onder andere belangrijk in dit verband is hoe het krachtenveld zich rond de opgave manifesteert: passief, verdeeld of eensgezind en dominant. De managers van de overheid zullen zeker worden aangesproken op voortgang en continuïteit, maar zullen ook bij een verdeelde externe coalitie politiek moeten kunnen handelen. Hoe bewaken ze de speelruimte die nodig is om werkende weg de scope (de bedoeling vertaald in doelen) te kunnen bijstellen zonder dat dit ten koste gaat van het vertrouwen van share- en stakeholders?


